dinsdag 10 mei 2016

Berouw

ik heb iets fout gedaan
ik heb iets fout gedaan
begint de dag
ik ben te bang geweest
ik heb te lang gewacht
te lang gedacht

misschien is er een weg

ik ben te lief geweest
het mes weer neergelegd
het snijden doet zo'n pijn
ja ook het snijden
niet alleen
het afgesneden zijn

misschien is er een weg

vrijdag 23 januari 2015

Winter

And then you told me how you lost your mind
That time in winter when the walls were closing round you
And your eyes said how you cried, alone, and wished to die
But could not find a way

And when I left the world had changed
I cried inside and thought as children do
That you were far too pure too beautiful to ever fall
Beneath the darkness of a lonely mind

And so I learned that everything is tainted by the night
That even if your eyes are bright and smiling
You can walk into the prison-house of death
And innocently break into a thousand lonely stars

dinsdag 4 november 2014

Madrid


The white-flecked birds search for the sea.
You said there was a way
to make the summer last
and that the trees were realer than the sunlight.
We walked in silence past the waving crowd,
haunted by the thoughts
and words we didn’t say.

Look up, the smoke is twisting into clouds.
                This is no place for birds
                or whispered signs of love.
A frozen thought is melting into rain;
I looked for you in faded autumn dreams
                and offices of snow.
                These words are not my own.

maandag 5 mei 2014

Avond

De golven sloegen op het strand
En in de verte klonk een lied
Hij nam de avond bij de hand
En liep voorbij een oud verdriet

dinsdag 29 april 2014

Love

Ah but dear father when the smile breaks across her face it is spring again. It is a breeze of fresh air in the face, a cold glass of wine on a sultry summer evening, a music of flowers and waves and you feel the world drift away. 

And sometimes when I watch her I see myself again, a boy walking along a mountain-path in the high Pyrenees, face to face with the mystery of love for the first time and never blinking.

And I know this moment is the beginning of my life and its end, the sun shining down, the mountain thyme round my feet, my heart in a paradise that wil never fade. 

Ah be sure I know all you speak of. But it is not life. It is a mad dream, a veil thrown across our eyes by a jaelous god, a mist that drifts down over life but it comes from a different world and it can never come to good in this. 

You will see when it passes, and you shrink back from the ugliness of this world, the small/mindedness of people, the emptiness of life. Better never to have seen the vision. 

For is it not said, that he who looks into the sun shall be blind and mad ere long?

Ah but is it not also said, that he who never sees the light shall never recognize the sun when it rises in the depths of his heart?

woensdag 15 januari 2014

Hoop

En dat als de dag in het westen vervliegt
niet heel mijn leven een zinloze strijd was;
dat iets dat ik vond op de lange weg
van ochtend naar de laatste nacht
het vallen van de avond overleeft,
en oplicht in de stille duisternis
voorbij de schemer van het einde.

zaterdag 11 januari 2014

Intake II

Haar ogen doen me denken aan een ander
die me lang geleden in de ogen keek,
voor ik verdwaalde in mezelf.
Ik hoor dit niet te voelen, denk ik nog,
maar weet dat het te laat is:
ook deze schaamte blijft mij niet bespaard.

Ik sluit de deur, verdwijn weer in
de leegte van mijn leven.
Zoals een ander naar de hoeren gaat
om wat hij in het leven niet kan vinden
bij een vreemde vrouw te kopen,
zo ga ik naar een psychologe.
Dit is de afspraak. Ik betaal;
zij doet of mijn verhaal
de moeite van het horen waard is.

donderdag 19 december 2013

Eve

On days like these I still remember you 
With all the waste of summer in your face, 
Your gestures with a sudden, timeless grace, 
The soft brown of your hair, the winding blue 

Of rivers in your eyes that wander through 
A land of silent fields and drifting ways. 
On days like these I feel there is a place 
Where even faded love is fair and true. 

But is this solace for a soul that burns 
With dreams of would have, could have, should have been? 
And is this comfort for a mind that turns 

Upon a memory that never came 
To be in life, a vision never seen, 
A swiftly learned but long-forgotten name?

zaterdag 14 december 2013

Intake

Nu zit ik tegenover één
die in een ander leven
een vriendin had kunnen zijn
en nu mijn psychologe is.
Zij werkt, ik word verwerkt
in een systeem van stoornissen,
symptomen, onbewuste angsten.
Ze glimlacht, luistert, kijkt me aan,
ziet hoe ik mijn bril verzet,
de handen door mijn haren haal;
ook dat wordt opgeschreven.

Zij helpt, ik word geholpen.
Niet lang geleden had ik naast haar
kunnen zitten in een hoorcollege.
Nu gapen er vier jaren tussen ons,
waarin ik uitgevallen ben terwijl het leven
verdergaat, een toeschouwer geworden;
die leegte heb ik leren kennen.
Helpen is eenvoudiger dan hulp behoeven.

Zij vraagt me: denk je wel eens aan de dood?
Ik kijk haar aan en denk aan Bloem
en vraag: in welke zin? In welke zin je wilt.
Nou goed, zeg ik, ja er zijn tijden
dat ik aan het einde denk en blij bent dat
het leven niet voorgoed kan duren.
Haar pen zoekt het papier,
ook dit zal later in een overleg
besproken worden.

Haar ogen doen me denken aan een ander
die me lang geleden in de ogen keek.
Ik hoor dit hier te voelen denk ik nog,
maar weet dan al, het is te laat,
ook deze schaamte blijft mij niet bespaard.
Een laatste vraag: is er nog iets
dat niet besproken is?
Nee het is goed zo voor vandaag.
Ik doe m’n jas aan, pak m’n paraplu,
ze glimlacht nog een laatste keer.

En dan de bus naar huis.
Ik kijk naar buiten, maak een praatje,
waan me deel van het gewone leven
dat ik achterliet.
Vier jaar geleden was ik één van hen,
en alle deuren van het leven stonden open.
Nu zijn ze langzaam, één voor één,
geruisloos dichtgewaaid,
en vrouwen van mijn leeftijd,
bijna meisjes nog,
bepalen wat er aan me scheelt.

donderdag 28 november 2013

Sprakeloos

Ik wilde iets zeggen
     en zocht naar een zin.
De tijd glipte weg en
     de avond viel in.
Je keek naar het noorden
     waar vliegtuigen vlogen
en hoorde geen woorden,
    een droom in je ogen.

Toen ben ik vertrokken,
     Je zag me niet meer.
We hoorden de klokken
     een laatste keer.
Je bent me vergeten,
     het tij is gekeerd,
en niemand zal weten
     wat mij heeft verweerd.

De wereld werd kouder,
     de jaren verdorden
en ook wij zijn ouder
     en wijzer geworden.
Maar als we ontmoeten,
     ooit lang na dit schrijven,
zal ik je dan groeten
     of sprakeloos blijven?

maandag 25 november 2013

November

I heard her talking to herself one day,
And saw the madness in her broken eyes.
Her words were meaningless, not even lies,
And faded locks of tattered hair hung grey

Upon her forehead. Nothing left to say
I thought, as evening gathered in the skies
Of cold November. I said my last goodbyes,
Then took my coat and slowly walked away.

Now she is dead and this is all I know:
A body that dissolved in front of me
Now lies beneath the early winter-snow.

And though they tell me that her soul is free,
A pale November wind begins to blow,
And fields of snow-white graves are all I see.

donderdag 31 oktober 2013

Leaving town

He knew it the moment she cast her eyes to the floor. So this is how it ends. Five years of longing and this was his reward. The walls of her student flat closed in on him. So drop by if you need anything will you? Yes thanks, I will. She wouldn't. Still no eye-contact. He was grasping for words to delay time, to prevent the seconds from crumbling away, but he couldn't find them. Yesterday he knew them, tomorrow he would.

But now, silence.

He knew that he should leave, that he was making a fool of himself; he had no right to prolong this any longer. But he was rooted to the floor. Then finally he moved, turned and stumbled through the narrow hallway out the door. All right see you, calling over his shoulder. See you. He closed the door behind him and stood in the quiet corridor looking at the whitewashed walls, a silence in his mind.

Later, he sat in his room and stared at the yellow railing of his balcony. He saw the trash outside, rows of windows in the distance. He heard a plane passing overhead. Then another. A toilet flushed in the room above him. Or maybe next-door, he couldn't tell. Someone turned the music up. He told himself he should get up, go to the kitchen, cook a meal.  But he didn't. He just stared out the windows till the night settled slowly in a cloudless sky. Then at last he got up, closed the curtains, and lay down to sleep.

The next morning he woke early, got dressed, took the elevator and left the apartment building. In the quiet dawn he slowly walked to the tram stop. Spring should be in the air by now, he thought, but trees shivered in the cold wind and leaves wandered aimlessly across his path. He felt he was forced to learn overnight what would take many a lifetime to master. A solitary black-bird scuddled past as he climbed the steps to the tram-stop.

Sitting in the tram he looked through the smeared windows at the familiar sights: the supermarket, parks and nameless buildings, traffic lights and sidewalks. These had been home to him once, but now seemed immeasurably distant and strange. He slowly nodded off, the world of people and things drifting out of sight. His final stop awoke him. Then on to the train: the fields passing by, trees grey in the morning mist, rivers in the distance, highways winding silently through faded meadows.

Soon he would be home again.

maandag 28 oktober 2013

Uilenstede

Ook dit is eens mijn thuis geweest:
de populieren, flatgebouwen,
't grasveld langs de stille vijver.
Daar in de bomen ritselt nog
een dag die ik vergeten was.

We barbecueden in de regen,
dronken witte wijn, ik riep iets,
iemand lachte, 'n stukje stokbrood
vloog onopgemerkt voorbij.
De regen leek ons niet te raken.

Dat is niet meer? Misschien wel niet.
Maar als ik omkijk zit ik wéér
verkleumd te lachen om een grap,
voorzichtig, kijkend naar een meisje
dat voor mij de wereld leek.

De avond valt. Ik moet hier weg.
Het was een fout om terug te komen.
Ik haast me naar het tunneltje,
de trappen op, te laat, de metro
is mij voor. Het regent weer.

woensdag 23 oktober 2013

Rendez-vous

Ik sprak een Duitse in de trein
de ochtend van ons rendez-vous,
en spelde toen je naam verkeerd.
Je lachte, dacht ik, onbezwaard,
en 's middags was ik aangenomen.

Daarna is alles snel gegaan:
een stomme zet en ik was weg.
Ik wierp de stukken van het bord
maar wist: ik kon je niet meer raken.

Je was een mens en werd een masker
dat zwijgend in mijn dromen leeft:
twee ogen, lippen, soms een lach,
maar nooit wat eens daarachter ruiste
en met de tijd is weggeëbd.

Al ging de grote golf voorbij,
wij vinden troost in wat er is:
een kind dat naar de schepen keek
en speelt met schelpen in het zand.

vrijdag 11 oktober 2013

Merel

Zij was de eerste en de mooiste
    Die ik mocht beminnen.
En door haar woorden zei een stem:
    Nu gaat het dan beginnen.

De winterzon, de weidse velden,
    't Ruisen van de bomen,
Voor even leefden wij in 't land
    Van waar mijn dromen komen.

Nu zingt een merel aan mijn raam,
    De hemel gaat betrekken.
Zij ligt in stilte achter glas -
    Ik kan haar niet meer wekken.

dinsdag 16 juli 2013

Drie zusters

Gebroken stemmen
Witte gewaden
Waxinelichtjes in verweerde handen

Drie zusters zingen in mijn achtertuin
Wankele vlammen, ijle melodieen
De wind blaast ze uit

Blijf zingen voor de ziel
Hier in de stilte tussen de grachten
En daar op straat waar roestende vingers
Het broze leven breken
Op stalen snaren

Zij leerden de les van het lange zwijgen
De open hand, de steen die valt
Dagen vervagen tot rimpelingen
Die eens, zo gaat de droom,
Weer gladgestreken worden

Hier in de stilte van het wachten kwamen zij
Dichter bij de stilte die in zwijgen is en in dit zingen
De stilte die verstomt in onze wereld

En ik, zesentwintig nu,
Weet mij geen weg
Tussen verlaten goden, blonde haren,
Een stem, een flikkering in grijze ogen
De wind blaast ze uit -
Een leven valt in dromen uiteen

Blijf zingen voor de ziel

vrijdag 24 mei 2013

Let us arise

Come back when summer rolls me round,
When cold stars shake in empty skies,
And when the last blue of the sea-wind dies.

I heard a voice from far beyond the sea,
A song that lingered in the broken hills.

The sea is calm, it said, the waves are smooth as glass.
Let us arise and go, and chase the mermaids from the foam,
Come let us  sail in silence till our blood is drunk with dreams.

No ship before us ever tried to cross this bitter sea,
But we are lonely and we know the end of love,
We know the end of all the wild and broken songs.

Let us go then, and sail to where the wind is still
And watch the white rose of the moon unfold
Amid the dark fields of a starless sky.

maandag 18 februari 2013

Sing me, oh Muse....


Sign me, oh Muse, how once I groped for hours
Brooding in anguish on my coming years
When, like white dew that falls on purple flowers,
A silence fell athwart my storm of tears:
The iron band across my breast was broken
And for a time such grief was its own balm:
It was evening; “Orpheus!” my name was spoken,
“Lift up thine eyes and in the blue find calm!”
I gazed intense and rose into wide ringing
Fields of bright ether where Apollo sings
And saw the solid earth beneath me swinging
Soft in the shadow of the spirit’s wings.

From: Orpheus by Owen Barfield.

Zing me, o muse, hoe ik eens urenlang in het duister tastte, en smartelijk piekerde over mijn komende jaren. Maar toen, als witte dauw die neerdaalt over purperen bloemen, kwam er een stilte over mijn tranenstorm. De ijzeren ketting rond mijn hart was gebroken, en een tijdlang was mijn verdriet zijn eigen troost. Het was avond. ´Orpheus!´ Mijn naam werd gesproken. ‘Zie op en vind rust in het blauw’. Ik keek en verrees in de weidse galmende velden van lichte ether waar Apollo zingt, en zag de vaste aarde beneden mij kalm wentelen in de schaduw van de vleugelen der geest.

zaterdag 2 februari 2013

Then came the poets...


Then came the poets who said love should be
A high and cold and lonely mystery;
And I believed them. So I sought your face
In broken rhymes and barren nights and days
Filled only with the music of your voice.
Now you have gone and all is turned to noise:
The verses grate and love is but a word
On lying tongues. Gone is the song I heard;
And rustling ghosts of dreams that cannot weep
Flit round my brain, and never let me sleep.

maandag 17 december 2012

Dreams


He lived high and lonely, wandering among cloudy dreams and far-away visions. Then he saw a girl below and his heart fell burning to the ground. He loved her, as they say, but his love was different from the love of others, for it was charged with all the raging fire of his young dreams and filled with a deep longing for the empty spaces beyond the world. And for a while his dreams grew yet more vivid, more powerful as they were touched by this mysterious new love for a single human being.

But then she turned away, and his heart grew sick, and all his dreams came tumbling from the sky, shattering into thousands of tiny fragments that were lost on the bitter wind. And a wailing arose in the sky, and he knew that he was naked now and alone, robbed of the visions that had covered him, and stuck to the cold cold earth. And he cried wild tears for his dreams that were gone, for the girl that had made him mad, and for all the raging pain and lonesome suffering of this old and dying world.

Then he wished only to sleep, to be covered forever by cold nothingness. He wished for a great rain to come down, and to fall for days and weeks and years, to wash away all the sickness that had grown in his mind since one girl walked into his dreams and broke his growing spirit.



He leefde hoog en eenzaam, dolend door een wereld van wolken en dromen en verre visioenen. Toen zag hij een meisje onder hem, en zijn hart viel branden naar de aarde. Hij hield van haar, zoals ze het noemen, maar zijn liefde was anders dan de liefde van anderen, want zij was geladen met al het ruisende vuur van zijn jonge dromen en gevuld met een diep verlangen naar de lege gebieden voorbij de wereld. En voor even werden zijn dromen nog helder, nog krachtiger terwijl ze aangeraakt werden door deze mysterieuze nieuwe liefde voor een ander mens.

Maar toen wendde zij zich af, en zijn hart werd ziek, en al zijn droom kwamen uit de lucht naar beneden gestort, en versplinterden in duizenden kleine scherven die vervlogen op de bittere wind. En een gejammer verrees in de lucht, en hij wist dat hij nu naakt was en eenzaam, verstoken van de dromen die hem beschermd hadden, en vastgenageld aan de koude koude aarde. En hij weende wilde tranen voor zijn dromen die verdwenen waren, voor het meisje dat hem tot waanzin gedreven had, en voor alle wilde pijn en eenzaam lijden van deze oude en stervende wereld.

Toen wenste hij slechts nog te sterven, voor eeuwig bedekt te worden door het koude niets van de dood. He wilde dat een grote regen neer zou vallen, dagen en weken en jarenlang, en al de ziektes weg zou spoelen die in zijn gedachten gegroeid waren sinds één meisje zijn dromen inliep en zijn groeiende ziel brak.