maandag 28 oktober 2013

Uilenstede

Ook dit is eens mijn thuis geweest:
de populieren, flatgebouwen,
't grasveld langs de stille vijver.
Daar in de bomen ritselt nog
een dag die ik vergeten was.

We barbecueden in de regen,
dronken witte wijn, ik riep iets,
iemand lachte, 'n stukje stokbrood
vloog onopgemerkt voorbij.
De regen leek ons niet te raken.

Dat is niet meer? Misschien wel niet.
Maar als ik omkijk zit ik wéér
verkleumd te lachen om een grap,
voorzichtig, kijkend naar een meisje
dat voor mij de wereld leek.

De avond valt. Ik moet hier weg.
Het was een fout om terug te komen.
Ik haast me naar het tunneltje,
de trappen op, te laat, de metro
is mij voor. Het regent weer.

woensdag 23 oktober 2013

Rendez-vous

Ik sprak een Duitse in de trein
de ochtend van ons rendez-vous,
en spelde toen je naam verkeerd.
Je lachte, dacht ik, onbezwaard,
en 's middags was ik aangenomen.

Daarna is alles snel gegaan:
een stomme zet en ik was weg.
Ik wierp de stukken van het bord
maar wist: ik kon je niet meer raken.

Je was een mens en werd een masker
dat zwijgend in mijn dromen leeft:
twee ogen, lippen, soms een lach,
maar nooit wat eens daarachter ruiste
en met de tijd is weggeëbd.

Al ging de grote golf voorbij,
wij vinden troost in wat er is:
een kind dat naar de schepen keek
en speelt met schelpen in het zand.

vrijdag 11 oktober 2013

Merel

Zij was de eerste en de mooiste
    Die ik mocht beminnen.
En door haar woorden zei een stem:
    Nu gaat het dan beginnen.

De winterzon, de weidse velden,
    't Ruisen van de bomen,
Voor even leefden wij in 't land
    Van waar mijn dromen komen.

Nu zingt een merel aan mijn raam,
    De hemel gaat betrekken.
Zij ligt in stilte achter glas -
    Ik kan haar niet meer wekken.

dinsdag 16 juli 2013

Drie zusters

Gebroken stemmen
Witte gewaden
Waxinelichtjes in verweerde handen

Drie zusters zingen in mijn achtertuin
Wankele vlammen, ijle melodieen
De wind blaast ze uit

Blijf zingen voor de ziel
Hier in de stilte tussen de grachten
En daar op straat waar roestende vingers
Het broze leven breken
Op stalen snaren

Zij leerden de les van het lange zwijgen
De open hand, de steen die valt
Dagen vervagen tot rimpelingen
Die eens, zo gaat de droom,
Weer gladgestreken worden

Hier in de stilte van het wachten kwamen zij
Dichter bij de stilte die in zwijgen is en in dit zingen
De stilte die verstomt in onze wereld

En ik, zesentwintig nu,
Weet mij geen weg
Tussen verlaten goden, blonde haren,
Een stem, een flikkering in grijze ogen
De wind blaast ze uit -
Een leven valt in dromen uiteen

Blijf zingen voor de ziel

vrijdag 24 mei 2013

Let us arise

Come back when summer rolls me round,
When cold stars shake in empty skies,
And when the last blue of the sea-wind dies.

I heard a voice from far beyond the sea,
A song that lingered in the broken hills.

The sea is calm, it said, the waves are smooth as glass.
Let us arise and go, and chase the mermaids from the foam,
Come let us  sail in silence till our blood is drunk with dreams.

No ship before us ever tried to cross this bitter sea,
But we are lonely and we know the end of love,
We know the end of all the wild and broken songs.

Let us go then, and sail to where the wind is still
And watch the white rose of the moon unfold
Amid the dark fields of a starless sky.

maandag 18 februari 2013

Sing me, oh Muse....


Sign me, oh Muse, how once I groped for hours
Brooding in anguish on my coming years
When, like white dew that falls on purple flowers,
A silence fell athwart my storm of tears:
The iron band across my breast was broken
And for a time such grief was its own balm:
It was evening; “Orpheus!” my name was spoken,
“Lift up thine eyes and in the blue find calm!”
I gazed intense and rose into wide ringing
Fields of bright ether where Apollo sings
And saw the solid earth beneath me swinging
Soft in the shadow of the spirit’s wings.

From: Orpheus by Owen Barfield.

Zing me, o muse, hoe ik eens urenlang in het duister tastte, en smartelijk piekerde over mijn komende jaren. Maar toen, als witte dauw die neerdaalt over purperen bloemen, kwam er een stilte over mijn tranenstorm. De ijzeren ketting rond mijn hart was gebroken, en een tijdlang was mijn verdriet zijn eigen troost. Het was avond. ´Orpheus!´ Mijn naam werd gesproken. ‘Zie op en vind rust in het blauw’. Ik keek en verrees in de weidse galmende velden van lichte ether waar Apollo zingt, en zag de vaste aarde beneden mij kalm wentelen in de schaduw van de vleugelen der geest.

zaterdag 2 februari 2013

Then came the poets...


Then came the poets who said love should be
A high and cold and lonely mystery;
And I believed them. So I sought your face
In broken rhymes and barren nights and days
Filled only with the music of your voice.
Now you have gone and all is turned to noise:
The verses grate and love is but a word
On lying tongues. Gone is the song I heard;
And rustling ghosts of dreams that cannot weep
Flit round my brain, and never let me sleep.